Familieteelt is een manier van fokken waarbij matige inteelt wordt gebruikt, zoals Anema dat beschreef in 1950. Bij de manier van fokken worden verwantschappen in de 1ste drie generaties vermeden. Er worden dus geen ouders met kinderen en kleinkinderen gekruist, ook geen broers en zussen of neven en nichten gekruist. Op deze manier blijft de verwantschapsgraad van de dieren laag op basis van de eerste drie generaties.Om op deze manier te fokken is het nodig met meerdere stieren per jaar te werken. Baars en Endendijk (1990) schreven dat gemiddeld per tien koeien 1 stier nodig is per jaar. Toch zie je vaak dat maximaal 4 of 5 stieren worden gehouden, ook al heeft men meer dan 50 koeien. Naast de stieren op stal wordt ook wel sperma van (jonge) stieren ingevroren dat men dan naast de levende dekstieren gebruikt.

Het inzetten van meerdere stieren per jaar is nodig om het risico op een slecht uitpakkende stier te verminderen en de genetische spreiding te vergroten. Hiervoor moeten de aanwezige stieren wel evenreding over de veestapel worden ingezet. Dus bij 100 melkkoeien en 5 stieren moet elke stier ongeveer 20 koeien dekken en ook in een zelfde verhouding het jongvee. Het inzetten van meerdere stieren is nodig om steeds weer paringen te kunnen maken die niet in de eerste drie generaties van de nakomeling verwant zijn. Met minder stieren loopt men hiermee snel vast.

Wanneer dit systeem consequent wordt toegepast ontstaat er naar verloop van tijd een heel uniforme veestapel die een steeds hogere graad van verwantschap krijgt. In de eerste drie generaties van de dieren zit echter bijna geen verwantschap. Deze zit wel steeds meer in de 4de en hogere generaties. Omdat de verwantschappen in de veestapel dus op afstand zitten, hebben de dieren geen last van inteeltdepressie. Op 17 fundament fokbedrijven van de Vereniging voor het fokken van het Fries Hollands ras wordt geen inteeltdepressie waargenomen.

Bij dit systeem is het niet per se nodig dat bij elke koe de juiste stier wordt geselecteerd. Stieren kunnen steeds random worden ingezet op dat deel van de populatie waarvoor zij in aanmerking komen op basis van verwantschap en aantal dieren dat gedekt moet worden door een stier. Toch zullen veel fokkers die dit systeem gaan uitvoeren vast en zeker toch gaan nadenken over combinaties. Een bredere stier op een smalle koe, een stier met een productieve moeder op een koe die minder geeft. Dat gaat snel een sport worden natuurlijk. Toch moet men hierbij goed in de gaten houden dat een betere stier niet teveel de kans krijgt, want dit gooit het systeem in de war. Ook moet er voor worden gezorgd dat de stieren steeds weer uit verschillende families komen, dus ook uit families die misschien iets minder aanstaan. Vooral in het begin kunnen zulke families voorkomen. Later wordt de spreiding kleiner omdat alle families door verwantschappen in de 4de en hogere generaties toenemen. Er ontstaat hierdoor steeds meer uniformiteit en deze past zich aan aan het eigen bedrijfssysteem.

De kunst is dus om steeds weer combinaties te maken van dieren die zelf niet een zelfde vader, moeder of grootouder hebben. De toekomstige nakomeling heeft dan in de eerste 3 generaties niet dezelfde voorouders. Wanneer steeds met 4-5 stieren per jaar wordt gefokt, blijft het mogelijk zulke paringen te maken en daarbij blijft ook nog ruimte over voor het selecteren van gewenste paringen omdat een bepaalde koe met 2 of 3 van de 5 stieren gepaard kan worden.

Voor begeleiding van deze fokkerij kunt u contact op nemen met Wytze Nauta, Wytze Nauta Advies, Badelochstraat 17, 3813 DS Amersfoort, wytze.nauta@ziggo.nl