StierinhokEndendijk(1)Vanaf eind jaren ’80 in de vorige eeuw doet het LBI onderzoek naar de melkveefokkerij. In het begin is vooral Ton Baars bezig geweest met de introductie in Nederland van de lijnenteelt van Prof. Bakels uit Zuid Duitsland. Echter, nadat een aantal boeren deze fokkerij hebben opgepakt is het van een verdere ontwikkeling niet gekomen. Het was namelijk niet altijd makkelijk om aan de gewenste stieren te komen. De lijnen zijn nu nagenoeg verdwenen.
In 1998 is er een rapport verschenen van Klarita Varekamp over gezichtspunten op de fokkerij vanuit de BD-melkveehouderij. Op basis van ondermeer dit rapport is door het Louis Bolk Instituut met financiering van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij een visieproject gestart met als doel zicht te krijgen op de fokkerijpraktijk en een visie vast te leggen op fokkerij in de biologische veehouderij voor zowel rundvee, varkens en kippen. Het visierapport dat uit dit onderzoek is verschenen is vervolgens het eerste deel geworden van een promotie-studie (zie hieronder) naar de mogelijkheden voor een biologische fokkerij voor melkvee.

Promotieonderzoek Wytze Nauta:
“Fokkerij in de Biologische Melkveehouderij”

Kruiskalveren1473Uit een visie-onderzoek bleek dat de visie van de meeste veehouders is dat er langzaam moet worden toegewerkt naar een biologische fokkerij die gebaseerd is op biologische dieren en natuurlijke technieken. Echter, KI wordt door veel boeren gezien als een onmisbare techniek. Daarnaast kiest een groeien aantal boeren weer voor natuurlijke dekking.
Dataonderzoek heeft laten zien dat de verschillen tussen de melkproductie van biologisch of gangbaar gehouden koeien significant groot is. Holstein vaarzen geven gemiddeld 1000 kg melk minder in hun lactatie. Ook hebben ze een lager eiwitgehalte en is hun celgetal in de melk hoger. Door een langzamere groei in hun jeugd kalven de vaarzen gemiddeld 1,5 maanden later af dan gangbaar gehouden vaarzen.
Uit een in 2005 gehouden enquete bleek dat de vraag van de biologische melkveehouders voor de fokkerij zeer divers is en weinig gerelateerd is aan het bedrijfsdoel. Gemiddeld streven de veehouders naar een zelfde fokdoel met globaal 70% gewicht op functionele kenmerken. De veehouders proberen echter hun doel te bereiken met heel veel verschillende rassen en kruisingen. De meeste veehouder hebben van ‘oudsher’ Holsteinkoeien. Door deze veehouders wordt veel ingekruist met robuste (buitenlandse) rassen als Brown Swiss en Montebeliarde. De laatste jaren zijn ook Fleckvie, Simmentaler en Zweeds Roodbont in trek. Opmerkelijk is dat ook veel veehouders weer kiezen voor een Nederlands ras zoals de Groninger Blaarkop, Fries Hollands vee (FH) en Maas-Rijn-IJssel (MRIJ) vee. Men ondervindt dat deze rassen goed kunnen produceren op een ruwvoerrantsoen met weinig krachtvoer.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAUit de enquete bleek ook dat natuurlijke dekking sterk in opkomst is in de biolgische melkveehouderij.
Ongeveer 50 tot 60 bedrijven gebruiken weer echte stieren voor de fokkerij of zijn bezig daar naar over te gaan. Hiervoor is onlangs het Netwerk ‘Stier bij de Koe’ opgericht met als doel deze fokkerij te ondersteunen.
(ga voor meer informatie naar de pagina Stier bij de Koe).

Natuurlijke dekking bij Mts. Lozeman

Het onderzoek sluit af met een discussie over de mogelijkheden voor een biologische fokkerij. Er wordt geconcludeerd dat de situatie op dit moment zeer complex is. Maar er is wel een duidelijke vraag voor biologische melkveefokkerij wat ook blijkt uit het groeiend aantal veehouders dat met een eigen stier aan de slag gaat. Er moet worden onderzocht hoe een efficient en biologisch fokprogramma kan worden opgezet. Hiervoor zijn zogenaamde pilots nodig waarin verschillende facetten van een fokprogramma in de praktijk worden gebracht en waaruit uiteindelijk een biologisch fokprogramma tevoorschijn zal komen. Hierbij moet wel de diversiteit binnen de biologische melkveehouderij worden gerespecteerd omdat dat een belangrijke bijdragen levert aan biodiversiteit in de melkveesector.