Door Wietze Nauta

Door Wietze Nauta

Om goed en efficiënt te kunnen produceren in de veehouderij worden veehouders op allerlei gebied geholpen, geadviseerd, zoals dat heet. Hoe moet ik mijn voer winnen, welke stal moet ik bouwen, wat voor rantsoen voer ik de dieren, hoe hou ik ze gezond! Allemaal zaken die je als boer vroeger vooral zelf van je vader leerde en uit moest vinden. Maar nu ben je manager van zaken en regel je via het advies van de voerkoopman de krachtvoerautomaat in.

Zo ook voor de fokkerij. Waar de veehouder vroeger zijn stier of beer bij een buurman kocht, waar je eerst ging kijken naar het vee, de moeder van het dier, de stal etc. Daar krijg je nu allemaal informatie van via folders, vakliteratuur en internet voorgeschoteld. Daaruit kun je dan je keuze maken. Of een verkoper komt langs en laat u stieren ‘uitzoeken’. Ook de meeste biologische veehouders doen dat. De stieren en beren staan op plaatjes, de kwaliteiten van de dieren worden weergegeven in fokwaarden, statistische weergaven van wat de dieren gemiddeld doorgeven aan hun nakomelingen. Alleen de beste dieren worden natuurlijk aangeboden.
Maar wat zijn de beste dieren? Ja, dan kom je bij het fokdoel terecht, het fokdoel van de fokkerijorganisatie, het fokdoel van de veehouder, het fokdoel van de buurman en noem maar op. Wat voor dieren willen wij? Er zijn vele meningen over dit onderwerp. De mooiste aanvulling op het fokdoel die ik in mijn onderzoek tegenkwam was het ras. Elke veehouder wil dieren die weinig kosten meebrengen, zich zelf redden, gezond blijven en goed produceren. Maar de een wil dat met een Blaarkop, de ander met een Holstein, om maar even gelijk de uitersten te noemen in de melkveehouderij. Bij varkens en kippen heb je verschillende hybriden. Ook mooi vindt ik dan waarop dit uitdraait. Zie je twee, drie vergelijkbare melkveebedrijven naast elkaar, de een heeft MRIJ, de andere Holstein en de derde een mengelmoes van rassen. Alle drie zeggen zij het ware ras te melken. Hoe kan dat?

Vanuit de wetenschap en bedrijfseconomie predikt men dat je ook als boer datgene moet doen wat jou het meest oplevert. Dus output min input maximaliseren, in euro’s wel te verstaan. Of het nu gaat om melk, vlees of eieren, maximalisatie is de norm. Dan worden alle kosten opgeteld. Vaste kosten, variabele kosten en arbeid als grootste. En met welk dier haal je dan de maximale winst? Juist, met dat dier dat de meeste, beste en goedkoopste input zo efficiënt mogelijk omzet in output, melk, vlees of eieren. Dit wordt vaak nog verder gestimuleerd door schaalvoordelen, hoe meer je in een keer aflevert, hoe meer bonus je krijgt van de fabriek.

Met dit gegeven zou je verwachten dat de gehele veehouderij echt geïndustrialiseerd zou worden, uniforme megabedrijven aan de snelweg, vlak bij de aanvoerport voor voer en verwerking van producten. Maar dat gebeurt nog niet, de praktijk is weerbarstig, het begint dus al met de keuze voor welk diertype of ras. En dit neemt toe, veel veehouders geven aan dat zij niet als robot willen fungeren, zoals nu al wel gebeurt in bijna volautomatische stallen voor melkvee en in de varkens- en vleeskuikenindustrie. Waar allemaal eenzelfde dieren en producten in bulk worden ‘geproduceerd’. Nee, er komt ineens een menselijk iets om de hoek kijken? Wat past eigenlijk bij mij? Een megastal of een Blaarkop? De consument doet daar nog een schepje bovenop. Zij wil wel melk tappen uit een melkautomaat van een blije Blaarkopkoe of vlees kopen van een varken uit een modderpoel. En zo gaat de zoektocht voort naar een passend dier voor jou bedrijf en voor jou klant. Die laatste heeft volgens mij de grootste macht. De klant is immers koning. Dat moeten we opnemen in het fokdoel, het gewicht van de klant, met daarbij het ras dus. Dat wordt maatwerk per bedrijf maar levert wel lekker veel diversiteit, de ruggengraat van een robuuste veehouderij.